arrow_back Back to Hub
perfectum = hebben/zijn + ge-
imperfectum = stem + te/de
't kofschip → -te
strong verbs = vowel change
boltKey Rule

Dutch has two past tenses. The perfectum (ik heb gewerkt) is used in most spoken Dutch. The imperfectum (ik werkte) is more common in writing and with modal verbs. When in doubt, use the perfectum — it is correct in almost every spoken context.

The Two Past Tenses
Perfectum
Present Perfect · most common in speech
Used for completed actions, recent events, and most everyday storytelling.
hebben/zijn (present) + past participle (ge- + stem + d/t) at the end.
Ik heb gisteren veel gewerkt.
I worked a lot yesterday.
Ze is naar Amsterdam gegaan.
She went to Amsterdam.
Imperfectum
Simple Past · writing & narrating
Preferred in written Dutch, journalism, literature. Always used for modal verbs (wilde, moest, kon…).
Stem + -te/-de (singular) or -ten/-den (plural). Use 't kofschip to decide -te vs. -de.
Ik werkte gisteren veel.
I worked a lot yesterday.
Ze woonde vroeger in Utrecht.
She used to live in Utrecht.
Forming the Perfectum
With hebben
~80% of verbs
Most verbs use hebben. Transitive verbs (with a direct object) almost always use hebben.
heb/heeft+ ge-stamd/t
Ik heb gewerkt.
I (have) worked.
Ze heeft gebeld.
She called.
We hebben gegeten.
We ate. (strong verb)
With zijn
motion + change
Verbs of motion (gaan, komen, rijden) and change of state (worden, groeien) use zijn.
ben/is/zijn+ ge-stamd/t/en
Ik ben gegaan.
I went. (gaan = motion)
Ze is aangekomen.
She arrived.
Hij is geworden.
He became.
Weak Participles
ge- + stem + d/t
-t if stem ends in a 't kofschip' letter (t k f s ch p). -d for all other consonants and vowels.
't kofschip → -t  |  others → -d
werken → gewerkt
k is in 't kofschip → -t
leven → geleefd
v/f, not in list → -d
bellen → gebeld
l → -d
Strong Participles
vowel change — memorise
Strong verbs change their stem vowel and take -en in the participle. No ge- rule applies — just memorise.
inf → past stem → ge + past stem + en
rijden → reed → gereden
to drive → drove → driven
schrijven → schreef → geschreven
to write → written
zijn or hebben? — Quick Decision Guide
Use zijn when…
Motion: gaan, komen, rijden, lopen, vliegen, vallen
Change of state: worden, groeien, sterven, trouwen
Remaining: blijven, zijn (zelf)
Departure/arrival: opstaan, vertrekken, aankomen
Use hebben when…
Transitive verbs (direct object): eten, drinken, maken, kopen
Most regular verbs: werken, leren, bellen, wachten
Modal verbs in perfect: hebben gewild, hebben gekund
When unsure — default to hebben (~80% correct)
Essential Strong Verbs — Memorise These
InfinitiveMeaningImperfectum (hij)ParticipleAux.
zijnto bewas / warengeweestzijn
hebbento havehad / haddengehadhebben
gaanto goging / gingengegaanzijn
komento comekwam / kwamengekomenzijn
ziento seezag / zagengezienhebben
doento dodeed / dedengedaanhebben
rijdento drive/ridereed / redengeredenzijn
schrijvento writeschreef / schrevengeschrevenhebben
lezento readlas / lazengelezenhebben
etento eatat / atengegetenhebben
drinkento drinkdronk / dronkengedronkenhebben
vindento find / thinkvond / vondengevondenhebben
wordento becomewerd / werdengewordenzijn
helpento helphielp / hielpengeholpenhebben
When to Use Each Tense
record_voice_overPerfectum — default for speech

Use when talking about anything that happened: “I went to the store”, “She called”. Safe default for any completed past action.

articleImperfectum — writing & narrating

Preferred in written Dutch, news, books, and narrating a sequence of events. “It was dark. He walked in. She looked up.”

settingsAlways imperfectum for modals

willen → wilde · moeten → moest · kunnen → kon · zullen → zou · mogen → mocht. Never say “ik heb gemoeten” — always “ik moest”.

lightbulbQuick rule of thumb

In doubt? Use the perfectum. “Ik heb dat gedaan” is correct in almost every spoken context. Master the perfectum first.